Wentelen in Welbehagen

Kerstmis in Heusden wijkt niet af van de kerstmissen in de rest van Nederland. De talloze Stille Nachten en de Herdertjes die bij Nachten lagen, de nachtmis, de kalkoen die het nieuwe jaar niet haalt, langlaufen in sneeuwrijk buitenland, het uit-eten-gaan..…. Al deze zaken behoren al vele jaren tot de vaste elementen voor een al dan niet geslaagd kerstfeest. Uiteraard behoren daartoe ook de stichtende verhalen over vrede op aarde met als religieus hoogtepunt de geboorte van Jezus, als fundament van het Welbehagen waarin de mens anno nu zich wentelt.

Kortom, het valt niet mee om een Heusdens verhaal te produceren dat afwijkt van het ‘normale’ kerstverhaal. Met kerstmis 1999 kreeg ik de gelegenheid daartoe toen ik samen met mijn vrouw deelnam aan de jaarlijkse kerstverhalenwedstrijd van de VARA. Als thema kreeg de wedstrijd de naam ‘Die eeuwige Kerstmis’ mee. Eendrachtig samen- en tegenwerkend (mijn vrouw houdt niet van absurdisme) kwamen we tot onderstaande bijdrage. Schrik niet van het einde, waarin wij beiden letterlijk ten onder gaan in de eeuwigheid. Na negentien jaar maken wij nog steeds deel uit van dit ondermaanse.     

Die eeuwige kerstmis

“Met kerstmis eten we bij Mia en Dirk”, sprak mijn vrouw. “Bedoel je die Mia van die zuurkoolschotel van twee jaar geleden? Kunnen we niks spannender bedenken?”. “Nou ja, we zouden een vliegtuig kunnen kapen”. Dat leek mij een uitstekend idee. Welgemoed togen we naar Schiphol. “Mag ik tweemaal retour Reykjavik”, vroeg ik de baliejuffrouw. Omdat we van plan waren hartstikke veel losgeld te eisen voegde ik eraan toe: “Maak er meteen maar twee businessklas van”. “Waarom Reykjavik?”, vroeg mijn vrouw. “Daar moet het om die tijd heel mooi wit zijn. Bovendien hebben ze daar zeer weinig ME-ers rondlopen, zodat we naar hartenlust kunnen kapen”.

Aan boord van de jumbo maakten we het ons comfortabel en bespraken we de te volgen strategie. “Waar ik een beetje mee zit, is het volgende”, sprak mijn vrouw met gevoel voor realiteit. “Hoe komen we terug?” Daar zei ze zowat. Op zijn minst moest dan de piloot in leven blijven. “En als hij nou eens helemaal geen zin heeft ons terug naar Nederland te brengen? Dan zitten we daar met ons losgeld op een ijsschots. Dan hadden we wel een enkele reis kunnen nemen, da’s niet zo duur”. Tegen die logica was ik niet opgewassen. “Weet je wat”, zei ze, “we doen het heel anders. Niks losgeld. We maken gewoon dat we niet terug hoeven”.

Fluisterend bespraken we ons nieuwe plan. In de rij naast ons zat een heer van middelbare leeftijd. Zo te zien een geslaagd zakenman. Hij verveelde zich een beetje en zat kennelijk om een praatje verlegen. “Ik vind het maar niks, al dat kerstgedoe. Laat de mensen toch gewoon thuisblijven bij hun kerstboom en hun runderrollade”, sprak hij knorrig, terwijl hij in één teug zijn Joseph Guy naar binnen sloeg. De overige passagiers verheugden zich ronkend of in stilte op de geneugten die hen te wachten stonden.

Na enige tijd vond mijn vrouw het tijd om tot actie over te gaan. Behoedzaam slopen we door de rijen der ronkenden en klopten aan bij de deur met het opschrift ‘cockpit’. “Binnen”, riep de piloot, die er wat verveeld bijzat, de blik onverschillig gericht op naderende en overstekende vliegtuigen. “Wat zit u hier te doen?” vroeg ik met geveinsde nieuwsgierigheid. Intussen tastten mijn ogen het instrumentenpaneel af op zoek naar het knopje van de automatische piloot. “Ik zit hier om al die metertjes in de gaten te houden”. Na enige tijd vond ik het knopje met het onderschrift: ‘knopje om de automatische piloot uit te schakelen’. Terstond drukte ik erop. “Wat doet u nu?”, vroeg de piloot. “Ik schakel de automatische piloot uit.” “Ik geloof niet dat ik dat mijn goedkeuring kan wegdragen”, sprak de man licht geïrriteerd. “Wat krijgen we nou”, riep ik uit. “Heb jij soms geen pilootdiploma”. “Jazeker wel”. “Wat zit je hier dan te niksen. Vooruit, neem die stuurknuppel ter hand en breng ons naar het noorden Een beetje naar links graag, als je het mij vraagt”. Daar kon de man niks tegenin brengen. Hij was me eigenlijk best dankbaar, dat ik hem een zinvolle taak had bezorgd.

Terwijl ik het instrumentenbord verder afzocht, onderhield mijn vrouw zich met de piloot. Zij kan ongemeen spannend een verhaal afsteken. Juist toen zij vertelde dat in Honoloulou de meisjes zich met kerstmis als schaap verkleden en in Melbourne daarentegen de schapen in de stal werden vervangen door kangoeroes vond ik het knopje met de tekst ‘knopje om de motoren uit te zetten’. De piloot zat zo geboeid naar mijn vrouw te luisteren, dat hij helemaal niet in de gaten had, dat ik het knopje indrukte.

Plotseling sloeg ik de stuurknuppel uit zijn handen. Voordat de man kon reageren had mijn vrouw hem al vastgebonden met haar sjaal. Ik drukte de stuurknuppel met kracht naar beneden waardoor het vliegtuig in een neerwaartse glijvlucht overging. De passagiers droomden verder. De meesten hadden een verzaligde glimlach op hun gezicht, doordat de glijvlucht een heerlijk soort lustgevoel in hun maag opwekte. De zakenman wilde net zijn vijfde Joseph Guy naar binnen werken, maar was niet meer in staat een verklaring te zoeken voor het feit dat het kostbare vocht op eigen gelegenheid het glas verliet. Nog juist voordat we op een ijsschots te pletter sloegen, pakte mijn vrouw de microfoon om bemanning en passagiers toe te spreken. “Dames en heren, hier spreekt niet uw captain, maar iemand die u een daverende verrassing gaat bezorgen. U kunt uw gordels loslaten. Zo dadelijk krijgt u waar u recht op hebt, namelijk de eeuwige ke….”

“Au, dat deed wel wat zeer”, kon ik nog net stamelen. “Rst”, maakte mijn eveneens stervende echtgenote haar verhaal af.

23-12-2018 © tekst André van der Heijden

Vorige
Volgende
Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Praat mee