31 januari 2018 |
0
0

’t carnaval opgericht

Dit jaar is het zestig jaar geleden dat de bescheiden Drunense Vastenavond viering ingrijpend veranderde. In 1958 maakte het dorp kennis met een prins, een raad van elf, een mascotte, carnavalsgroepen en zelfs een optocht. Voor het eerst waren er gekostumeerde bals bij Hotel Royal, bij Ter Hunen, bij De Hoge Braken en café Doruske Elshout in meerdere zalen tegelijk. Kortom ook in deze Langstraatgemeente werd relatief laat ‘’t carnaval opgericht’. Alle reden om er in dit jubileumjaar aandacht aan te besteden. Een carnavaleske Heus-Story 7 over 1958, over het ontstaan van het georganiseerde carnaval in Drunen.

Dorst

Dorst. Het begon met dorst. Grote dorst of in de woorden van Jacques Werner de eerste Drunense prins carnaval (1958-1963): “offeren aan Bacchus en Venus”. Dat rijkelijk offeren aan deze Romeinse goden gebeurde niet in een van de vele cafés, die Drunen toen nog rijk was. Nee niet in zomaar een dorpskroeg, maar in een – op z’n minst qua naam – koninklijk établissement: Hotel Royal (tegenwoordig Plein 13). Bij insiders eerder bekend als “tante Cor”(Vissers).

Wie waren de dorstigen die er ‘la-la-lafenis’ zochten? Volgens Werner betrof het hier “buitenlanders, die hun broedplaats in Drunen hadden gevonden”. Met andere woorden allochtone Drunenaren die ter meerdere vermaak en vertier elkaar zochten en vonden in een sociëteit oftewel gezelligheidsvereniging.

Eind jaren vijftig van de vorige eeuw telde Drunen nog geen 7000 inwoners. Een ieder kende iedereen en ook omgekeerd. Een onbekende in het dorp was dan ook al gauw “een Lipsman”. Dat mag niet verwonderlijk heten, gegeven het feit dat de in 1939 naar Drunen verplaatste gieterij Lips, inmiddels scheepsschroevenfabriek met meerdere metallurgische nevenactiviteiten, groeide en bloeide. In 1958 werkten er al meer dan 1000 mensen. Zo zag Drunen zeker bij het hoger personeel heel wat nieuwkomers.

Wegen – en scheepsschroevenbouwers

Inderdaad de in 1957 opgerichte sociëteit “Duin en Dorst” met zo’n 18 leden blijkt vooral te bestaan uit leidinggevende “Lipsmannen”. In het bestuur zetelen heren als Ir. Van Lammeren, H. van Thiel, en J.de Bruin. Een bestuur verder aangevuld met ene Godefridus Johan oftewel Jo Vissers en daarmee valt de naam – Vissers Wegenbouw N.V. – van het tweede grote bedrijf, dat de industrialisatie van Drunen zo sterk mede bepaald heeft.

Bekende leden van “Duindorst” zoals de sociëteit al snel wordt genoemd, zijn daarnaast dokter H. Verhaak en Vissers’ ‘rechterhand’ –  al hierboven geciteerd en eloquent aan het woord, Jacques Werner. Deze laatste treft op 25 augustus 1957 een vijftal medeleden, allen leidinggevende scheepsschroevenbouwers, bij tante Cor, met name de heren De Bruin, Damstra, Mol, Van Thiel en Wijmer. De aansluitend gezellige borrel wordt almaar later en later en is voor later van grote betekenis geweest. Hier – kun je zeggen – in de nacht van de 25e op de 26e augustus stond de wieg van het georganiseerde carnaval in Drunen. Of misschien treffender: de aanwezige wegen – en scheepsschroevenbouwers hebben toen met overgave ‘offerend’ in grove lijnen een werktekening voor haar wieg geschetst. In de woorden van Werner klinkt het zo: “dit gezelschap, anders zo behoudend gezind en weinig volks, was boertig bezig te spreken over een carnavalsviering …” en de conclusie luidde “dat er in Drunen plaats is voor een eigen feestelijk Carnaval”.

De elite en de straat

Daarvoor, bedachten de heren, was nodig een raad van elf, een hofkapel en natuurlijk een prins. Op z’n minst  één hoogst dringend noodzakelijk onderdeel ontbreekt in dit rijtje. Het volk, de dorpsbevolking die getuige de Echo van Het Zuiden in 1937 de “Vastenavond op zeer bescheiden wijze viert”. Pas 18 jaar later in februari 1955 maakt dezelfde krant als “toe te juichen initiatief “ bekend dat café Th. Elshout een gekostumeerd, echt carnavalsfeest gaat organiseren. “In Drunen gaan we dan ook met Vastenavond iets aparts beleven”, luidt het veelzeggende commentaar van de Echo. Hoogst waarschijnlijk is dit dan ook in het Drunense het eerste georganiseerde gekostumeerd bal.

      Advertentie voor het 1e carnavalsbal                    18 februari 1955 in de Echo van het Zuiden

Duidelijk mag zijn dat er in het dorp nou niet bepaald een traditie bestond van grootscheeps carnaval vieren en dat de hoge heren in 1957 de tijd nu wél rijp achten om in navolging van aanpalende dorpen als Knotwilgen – en Haorendam (Vlijmen en Haarsteeg) dat voor hun woonplaats nu ook te gaan doen.

Maar wat is een prins en een raad zonder de straat? Zonder “de jongens van d’n Vuilen Hoop”, zoals prins Koen I (1981-1983, schoenmaker Theo Kouwenberg) zichzelf en zijn maten betitelde. Ze voetbalden bij RKDVC en lagen thuis bij café Hein van Delft. Misschien kwam hier het groepje kameraden bestaande uit Mari Brok, Bertus de Hart, Nol van der Heijden, Jos Leijtens, Jan Melis, Nico de Gouw en Theo Kouwenberg wel op het idee voor hun eerste sketch “De kasteleins met carnaval”. Of zij met deze sketch de eerste Drunense “groepslopers” waren is niet zeker. Het groeplopen is nog jarenlang een populaire carnavals activiteit in het dorp geweest, waarbij carnavalsverenigingen als Troubadours, Tokavers, Hultenezen en Haaikneuters met elkaar in de cafés de strijd aanbonden voor publiek en jury om de leukste ‘act’. Wel staat vast dat “de Uitslovers” zich met voorsprong de oudste carnavalsvereniging mag noemen en inmiddels de eerbiedwaardige leeftijd van zestig jaar is gepasseerd. Vraag blijft of eigenlijk aan hen de eer toekomt het beginpunt van de Drunense carnaval gezet te hebben. Zij waren al actief voordat de hoge heren van Duindorst met hun initiatief kwamen en dat “kan best zo zijn”, aldus prins Dwerg II (1964-1967, wethouder en onderwijzer Frie van Gorcom). Deze prins noemt zijn rijk in 1965 voor het eerst “Dwergonië”. Daarom is het onwaarschijnlijk dat de mannen van het eerste uur al bekend waren met het volgende prachtige carnavaleske motto: “Wie ‘ne carnaval wil organiseren, moet beginnen mee verbroedering te leren. Daarmee slaot ge  de naogel op zunne kop de eenheid staot in Dwergonië voorop”.

Hoe dan ook ‘de notabelen’ en ‘de vuile hoop’ vinden elkaar in 1958 voor de eerste optocht; een bierwagen van een bekend merk met een H. en daarop in lege biertonnen staat de raad en de prins, de harmonie zorgt voor de begeleiding én als ‘apotheose’ een groepje jongens /mannen in korte broek, waarvan één als meisje en twee als vader en moeder uitgedost, lopend achter een kinderwagen. Zo verbeelden zij het lied “af en toe gaan pa en moe met ons naar de speeltuin toe”. Inderdaad de Uitslovers als speels sluitstuk van het eerste “optochtje”.

De Echo beschrijft hoe de prins zo voor de eerste keer in Drunen zijn intrede deed. De krant noemt de belangstelling algemeen, maar vraagt zich in een commentaar af of de wijze van inhalen de juiste is en citeert met instemming  de woorden van Prins Dwerg I zelf bij de aansluitende ontvangst op het gemeentehuis: “…het is nog tasten, hoe de nieuwe traditie van carnaval op te bouwen”. Het carnaval in Drunen stond nog in de kinderschoenen.

We hebben een prins in het dorp

Over de prins gesproken: wie zou de allereerste moeten worden? Zeker een eerste prins moet iemand zijn die als figuur en persoon mensen aanspreekt, weet te enthousiasmeren, goed van de tongriem gesneden is en als zodanig voorop kan gaan in het feestgedruis. De leden van sociëteit Duindorst wisten na ampel overleg een geschikte kandidaat. Weliswaar uit Vught afkomstig, maar wel in Drunen woonachtig, kostganger bij Lien van Sambeek in de Grotestraat, van beroep een keurige belastingambtenaar met aparte hobby’s, zoals het volgende citaat uit 1964 over Drunens beroemdste wielrenner Tiny van der Lee illustreert:

“Langs het parcours werd achter de hand gefluisterd dat Van der Lee onder hypnose reed. Onder hypnose? “Ziede d’n dieje doar mî zunnen hoed op?”. Mari Voets, snor, pikzwart strak achterover gekamd haar, blinkend van de brillantine, zonnebril op en fototoestel in de aanslag. Mari was deurwaarder bij de belastingdienst, vrijgezelle kostganger, kettingroker, koersfotograaf en bij tijd en wijle … hypnotiseur annex waarzegger. Daarbij ook en vooral nog masseur/verzorger. De mare (het gerucht red.) ging zelfs dat Jacques Anquetil, die hij begeleid had bij wat vaderlandse criteriums, hem een blanco cheque had voorgelegd om hem een jaar lang te soigneren”.

Vlak voor de eerste carnaval in Drunen zou ‘losbarsten’ trekt deze geziene figuur en beoogde prins zich echter wegens trieste familieomstandigheden terug. Paniek in de tent. De “dreumes” carnaval wankelt. Spoedberaad volgt natuurlijk weer bij Hotel Royal. De raad van elf, waarin “Lipsmannen” als Damstra, Van Thiel en Wijmer zitting hadden genomen, benoemen ongetwijfeld met instemming van bestuurslid en werkgever Jo Vissers een andere ‘Duindorster’ tot prins.

 

Prins Dwerg I en een deel van de 1e raad van elf, ‘boers’ uitgedost met baarden, snorren en pijpen voor “De Remise” 1958, van links naar rechts: van Drunen, van Gorcom, van Gool, van Delft?, Jung, Werner, van Thiel, Wijmer, Velthuizen, Den Teuling, Roozen en geheel rechts Piet van der Heijden van De Uitslovers

Zo werd Jacques Werner Dwerg I in galakostuum en met “hoge zijde” de eerste Koninklijke Hoogheid, die regeerde over Dwerg, Duin, Scheet en toebehoren. Het land van de dwergen dan wel Dwergrijk genoemd naar de twee treksloten vol ”dikkoppen” en kwakende kikkers in het dorp,  zoals gezegd, pas vanaf 1965 bekend als Dwergonië.

Hofkapel en mysterieuze Mina

Een eigen kapel om prins en raad ook muzikaal te ondersteunen dat lukte de ‘bouwers’ in het eerste jaar nog niet, maar in de carnavalsoptocht van 1959 was er een heuse hofkapel present. Een vriendengroep uit harmonie “de Volharding” richtte onder leiding van kapelmeester Henk van der Steen “De Dors-t-vlegels” op. Een – op z’n zachtst – veel betekenende naam, waarbij ook hier die dekselse dorst weer de eerste plaats inneemt. Deze naam hebben de muzikanten in de loop der jaren meer dan waar gemaakt niet alleen door hun muzikale kwaliteiten en aansprekend repertoire, maar ook door de vele humoristische streken van echte ‘vlegels’ heeft deze hofkapel ook bekend als “Boerenkapel” in Drunen een welhaast legendarische status gekregen.

hofkapel de Dorstvlegels drunen

Van links naar rechts: Jo Brok, Henk van der Steen, Frans Boom, Gerard IJpelaar, Jo Marisael, Jan Brok, Toon van der Putten, Harrie van Delft, Jos Stevens

Eén fenomeen mag – als je het hebt over de oprichting van ‘’t carnaval’  – zeker niet onbesproken blijven. “Op ons Drunense carnaval doen we allemaal zot en mal. En die Mina op het plein is het symbool van al die gein”. Een typische regel hier uit het carnavalslied van 1967 als voorbeeld hoe Carnavalsschutsvrouwe Mina gedurende vele jaren in alle toonaarden bezongen is.

Voor het eerst inderdaad in 1958 werd zij na de sleuteloverhandiging voor het gemeentehuis op het Raadhuisplein ‘aan den volke’ gepresenteerd, waarna het carnaval met oorverdovende hazenschoten knallend werd geopend. Op carnavals dinsdag zat haar jaarlijkse taak er op en werd ze inclusief de fraaie Brabantse boerendracht met poffer en klompen in de hens gestoken wél met een prinselijke lijkrede ten teken dat het feest van “verzustering en verbroedering” echt voorbij was.

Wie de geestelijke moeder en of vader van Mina is geweest, noch waarom ze dusdanig gekleed dan wel waarom ze Mina heet? “’t Is geen mens die het weet! Deze zin uit “Ode aan Mina” van Aojum Zat uit 2004 geeft helaas ook nog de werkelijkheid weer in 2018. Naarstig zoek – en speurwerk, oproepen via radio en geschreven pers ten spijt, het fenomeen Mina blijft in nevelen gehuld. Een plausibele verklaring zou kunnen zijn dat door toedoen van “Duindorster, Lipsman” en eerste raadslid van Thiel het boerse Maastrichtse “Mooswief” als voorbeeld voor Mina naar voren is geschoven. De van Thielen moeten bekend zijn geweest met de mascotte van de Zuid-Limburgse carnavals metropool, omdat mevrouw van Thiel geboren en getogen is in “Mestreech”.

Het  Maastrichtse “Mooswief” als voorbeeld voor Mina?

Met de verbranding van Mina was het eerste georganiseerde carnaval in 1958 ten einde en konden de dorpelingen zich opmaken om woensdagmorgen in de kerk het askruisje te halen. De hoop, die de Echo van het Zuiden nog aan de vooravond uitsprak,” flink carnaval vieren”, maar op “gepaste en juiste wijze”, was blijkbaar in vervulling gegaan. Terugblikkend op “de eerste officiële Carnaval” concludeerde de krant dat die met algemeen plezier en drukte in alle gelegenheden “bijzonder goed verlopen” is.

Over hoop gesproken tenslotte nog even terug naar de “vuile hoop”, het begin van de eerste Drunense carnavalsvereniging De Uitslovers. Hun motto uit 1958 zou bij menige zich uitslovende wel of geen carnaval vierende Drunenaar nu 60 jaar later in 2018 niet misstaan “Wees Wijs en Doe (‘ns) GEK!”.

 01- 02-2018 © tekst en foto’s Heus-Story 7 frank durant

Vorige
Volgende
Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Praat mee